De echte Diana

Een Brits fregat uit 1794 dat bij Algiers onder Nederlandse vlag vocht en in 1839 in een droogdok bij Den Helder afbrandde.

Het model in dit bouwverslag is een schaalmodel van een schip dat echt heeft gevaren: 45 jaar lang, eerst voor de Royal Navy en daarna voor de Koninklijke Marine. Dit is haar loopbaan in het kort, met alleen feiten die in ten minste één van de bronnen onderaan terug te vinden zijn.

Ontwerp en bouw

De Diana hoort bij de Artois-klasse, negen fregatten van 38 kanons naar een ontwerp van Sir John Henslow, Surveyor of the Navy, uit 1793: een lang, snel schip met 18-ponders op het geschutsdek in plaats van de gebruikelijke 12-ponders, het Britse antwoord op de zware Franse fregatten van die jaren. Zeven werden op contract gebouwd bij particuliere werven aan de Theems, twee op de rijkswerf in Chatham.

Zijaanzicht van de Artois-klasse uit het Admiralty-lijnenplan van 1793
Het zijaanzicht (sheer draught) van de Artois-klasse, 1793, met de geschutspoorten van het geschutsdek en de kanonnen op halfdek en bak. Detail uit RMG J5555, National Maritime Museum, Greenwich, publiek domein via Wikimedia Commons.

De Diana werd op 28 maart 1793 besteld bij Randall & Brent in Rotherhithe, waar de kiel nog dezelfde maand werd gelegd. Op 3 maart 1794 ging ze te water, waarna ze op de marinewerf van Deptford werd uitgerust; op 6 juni 1794 was ze klaar. Bouw en eerste uitrusting kostten samen 21.991 pond.

De maten volgens Winfield: lengte over het geschutsdek 146 voet 3 duim (44,5 m), kiel 121 voet 8,5 duim (36,9 m), breedte 39 voet 3,5 duim (12,0 m), holte 13 voet 9 duim (4,0 m), inhoud 999 43/94 ton (Builder’s Old Measurement). De bewapening bij het te water laten: 28 stuks 18-ponder op het geschutsdek, op het halfdek 2 stuks 9-ponder plus 12 carronades van 32 pond, en op de bak 2 stuks 9-ponder plus 2 carronades van 32 pond. Samen 46 stukken, al bleef het schip officieel een “38”. De ontwerpbemanning was 270 man, later verhoogd naar 315.

Britse dienst 1794 t/m 1815

De Diana was 21 jaar in Britse dienst, vrijwel de hele periode van de Franse revolutionaire en Napoleontische oorlogen. Haar eerste commandant was kapitein Jonathan Faulknor (1794 t/m 1798); daarna volgden Alexander Fraser, John Poo Beresford, Thomas James Maling, Charles Grant en William Ferris. De hoogtepunten:

  • 1794: op 23 augustus, twee maanden na de oplevering, betrokken bij de vernietiging van het Franse fregat Volontaire.
  • 1796 t/m 1799: kaperjacht op de Ierse kust en in West-Indië; genomen onder meer L’Indemnité (14 kanons), La Mouche (16) en La Medie (10).
  • 1800: herovering van de Amerikaanse schoener Sally and Mary.
  • 1801: de Egyptische campagne, van 8 maart tot 2 september, in 1850 beloond met de gesp “Egypt” op de Naval General Service Medal.
  • 1804: konvooidienst van Cork naar de Leeward Islands; op 7 december de Spaanse korvet Diligencia (22 kanons) genomen.
  • 1810: op 15 november de actie bij Saint-Vaast-la-Hougue. De Diana, onder kapitein Grant, viel bij opkomend tij het geankerde Franse fregat Amazone aan; haar sloepen staken later het gestrande fregat Elisa in brand, onder vuur van de kustbatterijen en zonder eigen verliezen.
  • 1811 en 1812: actie in de Gironde (24 augustus 1811) en herovering van het koopvaardijschip Patent (4 februari 1812). Daarna werd het schip in Plymouth opgelegd.

Het fregat Diana wordt in maart 1813 op de werf van Blackburn bij Plymouth opgehaald voor reparatie
“Heaving up His Majesty’s Frigate ‘Diana’ at Blackburn’s Yard, near Plymouth”, John Rogers, 1813. De Diana wordt op 10 maart 1813 op de werf van Isaac Blackburn in Turnchapel op de helling getrokken voor een grote reparatie. Yale Center for British Art, publiek domein via Wikimedia Commons.

Van maart 1813 tot september 1814 onderging ze een grote reparatie bij Blackburn in Turnchapel, gevolgd door een nieuwe uitrusting op de marinewerf van Plymouth. Het schilderij hierboven toont het begin van die reparatie: de kale romp wordt de helling op getrokken, met de bemanning op het dek. Het is de enige bekende afbeelding van de Diana zelf uit haar Britse jaren. De uitrusting was nog niet afgerond toen de Admiraliteit het schip op 7 maart 1815 verkocht aan een voormalige vijand: Nederland, voor 36.796 pond.

Nederlandse jaren 1815 t/m 1839

Na de Franse tijd stelde de Nederlandse vloot op papier veel voor, maar veel schepen waren van slecht hout gebouwd; een beproefd Brits fregat kopen was daarom een bewuste keuze. Bij Koninklijk Besluit van 27 maart 1815 werd de Diana in dienst gesteld onder kapitein Pieter Ziervogel, met 280 koppen. Op 19 juni 1815 voer ze met de Nederlandse vlag in top het zeegat uit. In de Nederlandse telling, waarin carronades meetelden, gold ze als fregat van 46 stukken.

Haar bekendste wapenfeit volgde een jaar later. In 1816 besloten Engeland en Nederland samen op te treden tegen de dei van Algiers, die christelijke zeelieden als slaven vasthield. Een gecombineerde vloot onder admiraal Lord Exmouth en vice-admiraal Theodorus Frederik van Capellen nam de stad op 27 augustus 1816 onder vuur. Het Nederlandse eskader bestond uit vijf fregatten, Melampus, Frederica Sophia Wilhelmina, Diana, Amstel en Dageraad, en de korvet Eendragt. De Diana verloor die dag zes man, onder wie schoolmeester W. Barendsen en adelborst A.J. Weerts, en telde 22 gewonden; het hele eskader 13 doden en 52 gewonden. Het bombardement leverde een verdrag op, ondertekend op 24 september, en de vrijlating van 1.083 christenslaven, later gevolgd door nog zo’n 3.000.

Het bombardement van Algiers in de nacht van 26 op 27 augustus 1816, gezien vanuit de Engels-Nederlandse vloot
“Het bombardement van Algiers”, Martinus Schouman, 1823. De Engels-Nederlandse vloot voor de brandende stad; links de Nederlandse fregatten met de driekleur. Rijksmuseum Amsterdam (SK-A-1395), publiek domein via Wikimedia Commons.

Op 26 oktober 1816 kwam de Diana terug in Vlissingen, waar ze op 30 oktober uit dienst ging. Daarna volgden nog ruim twintig jaar van wisselende dienst, met onder meer M.L. van der Loeff (1819) en J.E. Lewe van Aduard (1824) als commandanten, tot ze op 15 november 1838 definitief buiten dienst werd gesteld.

Het einde kwam snel. Op 16 januari 1839 om half tien ’s avonds brak brand uit terwijl het schip in het droogdok van de rijkswerf Willemsoord in Den Helder lag. Ondanks alle bluswerk brandde het bovenschip volledig uit; pas de volgende ochtend om tien uur was men het vuur meester. Het wrak werd per advertentie in de Nederlandsche Staatscourant van 30 maart 1839 te koop aangeboden en bracht 15.750 gulden op.

Verf en kleuren

Hoe zag ze eruit? Het bouwcontract dat Randall & Brent in 1793 tekenden regelt de verf wel, maar stopt bij de romp: het onderwaterschip gepayed met teer, de zijden boven de berghouten drie goede lagen verf, waarvan de laatste “of a yellow cast”. Dat is de gele oker die iedereen van de Victory kent, met de zwarte banden ertussen.

Verder dan de romp gaat het contract niet, en toch valt er over de rest meer te zeggen dan je zou denken. Verf was in de Royal Navy van 1794 vooral conservering, geen versiering. Een voorgeschreven schema bestond niet: zwart, gele oker en rode oker waren goedkoop en voorhanden, en wat de kapitein mooier wilde betaalde hij vaak zelf. Twee gewoonten lagen wel vast. De langsgaande gordingen, de berghouten en de smallere strakes boven en tussen de geschutspoorten, waren zwart omdat daar teer en zwartsel op ging. En al het ijzerwerk werd geblackt tegen roest, teer met lampzwart of zwarte vernis.

Daarmee is ook de vraag te beantwoorden waar modelbouwers op vastlopen: welke kleur hadden de rusten, de zware planken die het want van de romp af houden? Geen enkele bron noemt ze met zoveel woorden. Maar ze zitten in de onderbreking van de bovenste sierlijst, dus midden in de zwarte band boven de poorten, en de knieën en kettingen eronder waren ijzer en dus zwart. Een rust in blank hout zou die band onderbreken. Zwart dus, met het ijzerwerk een tint anders zwart dan het hout.

De hardste cijfers komen van de Victory. Die is in 2015 herschilderd nadat Crick Smith (University of Lincoln) tientallen verflagen uit het originele hout had geanalyseerd. Het buitenwerk dat zwart was kreeg NCS S 8500-N, feitelijk een heel donker grijs, en het okerwerk NCS S 3020-Y40R. Op schaal is dat bruikbaar: echt zwart leest op 1:64 als een gat, dat donkere grijs leest als zwart.

Wat niet helpt zijn de werfmodellen. Het contemporaine model van de Artois-klasse in Greenwich (SLR0572) is in blank buxus met zwarte berghouten uitgevoerd, zoals werfmodellen nu eenmaal werden gemaakt, en de rusten zijn er niet eens op gemonteerd. Zulke modellen tonen de vorm, niet de verf.

Het model en het schip

De Caldercraft-kit (Jotika, artikel 9000) is een model op schaal 1:64 van 1180 mm lang, met dubbele beplanking, zo’n 2.300 koperen plaatjes en messing 18- en 9-ponders. Volgens de fabrikant toont het model het schip na de refit van juni 1796: dichte halfdekverschansing, carronades en een dolphin striker. Piet (pietsan) en ik kozen allebei voor de toestand van 1794 met een open reling op het halfdek, zoals op de Admiralty-tekening hierboven.

De vrij beschikbare tekeningen (RMG J5549 t/m J5555, te zien in de verkenner) zijn klasseplannen van de Artois-klasse, niet de eigen vellen van de Diana; die (J5528, J5534 en J5535) zijn alleen als print bij Royal Museums Greenwich te krijgen. Voor de details grijpen alle Diana-bouwers naar David White, The Frigate Diana (Anatomy of the Ship). Op deze punten wijkt de kit daarvan af, gemeten in dit bouwverslag of gemeld door andere bouwers:

  • De kiel is 1 tot 2 mm te ondiep; Anatomy geeft omgerekend zo’n 6 mm. Ik heb een strookje aangelijmd, precies één koperplaatje breed.
  • De onderkant van het roer loopt op de kittekening schuin omhoog; Anatomy toont het roer in lijn met de kiel.
  • De achtersteven is volgens Anatomy (p. 112) licht afgeschuind; op schaal tienden van millimeters.
  • De kit levert een schoorsteen van het Victory-type; de Diana had een vierkante houten kombuisschoorsteen.
  • De gelaserde sierlijst langs de achtersteven is te lang en moest naar de foto’s in Anatomy worden ingekort.
  • Andere bouwers melden een boegspriethoek die het boegbeeld raakt, mastposities die afwijken van de Greenwich-plannen en affuiten die dunner zijn dan in Anatomy. HMSFly vat het op Ships of Scale samen: “The plans are NOT correct in terms of dimensions.”

Daar staat tegenover dat hout, lasersnijding en touw door vrijwel iedereen geprezen worden. Het is een oude kit, maar een goede; de fouten zijn bekend en te corrigeren. Waar dat in dit verslag is gebeurd, staat het in het naslag onder kitfouten.

Bronnen