Terminologie NL/EN
Nederlandse en Engelse termen naast elkaar, met een korte uitleg. Handig voor wie Engelse bouwlogs of Anatomy of the Ship naast dit verslag legt.
Niets gevonden. Pas de zoekterm of het filter aan.
A
De verticale balk aan de achterkant van de kiel waaraan het roer hangt.
Takel achter het rolpaard om het kanon binnenboord te houden bij het laden.
Spanten schuin afwerken zodat de huidlatten er vlak tegenaan liggen.
Het anker; op het model vooralsnog alleen suggestief met tros door de kluisgaten. De kit levert vier gelijke ankers, het schip had twee boegankers, een plechtanker en een stroomanker.
De ring boven aan de schacht waaraan de ankertros zit, met een bekleding van touw (puddening).
De houten dwarsbalk boven aan de schacht, uit twee helften met ijzeren banden.
B
Rondhout dat buitenboord uitzwaait om een sloep aan te leggen; reservespieren liggen op de kuil.
Takel aan weerszijden van het rolpaard om het kanon uit te halen; in de posts van 2023 zijtakel genoemd.
Balsablok tussen de spanten bij boeg en achterschip als steun voor de beplanking.
Een rij koperplaatjes die met de zeeg van een huidgang meeloopt.
De tekening die per lijn het belegpunt geeft: vel 5 en 6 van de kit, F5/10 t/m F5/12 in het boek.
Dubbele huidbeplanking: een ruwe onderlaag en een afwerklaag van dunne latjes.
De stag van de bezaansmast, op de Diana met juffers naar de grote mast; niet kruisstag.
Was om garen mee te behandelen tegen pluis en kink; verkleurt het touw, en musea raden paraffine aan omdat bijenwas zuur is (Hoosterw op het modelbouwforum). Niet wassen op het stuk dat nog secondelijm moet krijgen.
Een reeks strakke slagen dun garen om twee parten touw: om een oog te vormen, een blok in zijn strop te sluiten of een lijn op zichzelf vast te zetten. In dit verslag ook wel woeling genoemd (zie het stappenplan over het blok van de bakstalie).
Binnenbekleding van de verschansing, in de kit een gelaserd deel.
De bovenste, iets dikkere gang direct boven het berghout, zwart geschilderd.
Houten katrolblok, enkel of dubbel. Niet hetzelfde als een vioolblok (één blok, twee schijven), een samengesteld blok (twee blokken op elkaar gebonden) of een schildpadblok (twee schijven haaks op elkaar); de kit haalt die door elkaar.
Pin met kettinkje die het borgstuk over de tappen van de loop vastzet.
Houder waarin de romp tijdens de bouw rechtop wordt gehouden.
Stag van de verlengde top van de bramsteng, de bovenste lijn van elke mast.
De ra van het bramzeil aan de bramsteng: voorbramra, grootbramra, kruisbramra.
Het derde mastdeel, boven de stengezaling; met een verlengde top (pole head) voor de bovenbramstag.
De zwarte naad tussen dekplanken, op het model met potlood of garen gemaakt.
Zwaar touw van de ring achter op de loop naar de scheepswand dat de terugslag opvangt.
Ring gegoten aan de druif van de loop waardoor de broeking loopt.
Chemisch middel om messing of brons te zwarten; werkt niet op tin.
C
D
Voetje met twee krokodillenklemmetjes; onmisbaar voor bindsels en het stroppen van blokken.
Legpatroon waarbij de kopse naden om de drie planken terugkeren.
Het stuk waar ondermast en steng (of steng en bramsteng) naast elkaar lopen, tussen mars en ezelshoofd; zwart geschilderd.
E
Het blok met twee gaten dat de top van de ondermast met de steng verbindt (en de steng met de bramsteng, en de boegspriet met de kluiverboom).
F
Snel oorlogsschip met één doorlopend geschutsdek; Diana was een 38-gun fregat.
G
Het schuine rondhout aan de bezaansmast waaraan de bovenkant van het bezaanszeil hangt.
Gele houtlijm (type Titebond), sneller en harder dan witte houtlijm.
Het dek met de 18-ponders, op het model grotendeels afgedekt door het bovendek.
Blok met een strop eromheen, klaar om aan oogbout, ra of stag te hangen.
Lijn van de onderkant van het zeil omhoog naar de ra om het zeil op te halen; buikgording en nokgording.
De middelste en zwaarste mast; op de Diana een samengestelde mast (made mast).
De zwaarste stag, van de top van de grote mast naar de voet van de fokkenmast; niet grootstag.
H
Lijn die de loefhoek van een zeil naar voren trekt; op de Diana loopt de fokkehals over de botteloef.
Handboor voor boortjes van 0,5 tot 1 mm; voor het uitboren van blokken en oogjes.
IJzeren U-vormige beugel op de verschansing waarin de hangmatnetten hangen.
Net tussen de hangmatkranen waarin de hangmatten werden gestuwd.
Hartvormig blok zonder schijf waarmee stagen en kragen met een talreep worden stijfgezet.
Verticale stijl achter het laatste spant die de wulf en spiegel draagt.
Mes met verwisselbare scherpe mesjes, nr. 11 voor fijn snijwerk.
De verdikking onder de masttop waarop de zaling rust; door de kit niet getekend.
Eén touw van het want, per paar als lus om de masttop en met een juffer aan de rust.
Schroef onder de kulas waarmee de carronade wordt gericht.
Dunne lat die over meerdere spanten wordt gelegd om de afschuining te controleren.
I
J
K
Verticale windas voor het binnenhalen van de ankertros; de Diana had een dubbele kaapstander.
Eindloos touw rond de kaapstander waaraan de ankertros werd vastgebonden om hem binnen te halen.
Het geschut; op de Diana 18-ponders op het geschutsdek en 9-ponders op het bovendek.
De dwarslijnen tussen de puttingstokken van bakboord en stuurboord die het want binnenwaarts trekken; niet zwichtingen.
Houten keggen rond de mast ter hoogte van het dek, afgedekt met geteerd zeildoek.
Zware dubbele klamp tegen de verschansing; op de Diana bij de carronadepoorten en in de kuil, voor grote bras, grootschoot, fokkeschoot, blindeschoot en de vallen van de marsera's (vel 5 en 6).
Klem voor de kiel, ook bruikbaar als derde hand: blok in de ene klem, touw in de andere.
Kruislingse slagen om een korvijnagel of klamp, afgesloten met een halve steek.
Een touw strak omwikkelen met dun garen tegen slijtage, de buitenste van de drie lagen trensen, smarten, kleden; op de stagen en het voorste hoofdtouw.
Het rondhout dat door het ezelshoofd van de boegspriet naar voren steekt.
De zijwaartse steunlijnen van de kluiverboom, belegd op de knechten van de bak.
Poetsmiddel om het koper egaal te maken zodat het gelijkmatig patineert.
Houten of metalen pen in een beting of nagelbank om touw op te beleggen.
Klein eenmastig schip; Eduards eerste model was de kotter HMS Mermaid. Ook de kleine, brede sloep, waarvan de Diana er twee had.
De strop met een oog of hartblok waar de onderkant van een stag op vastzit.
Tafel met twee haakse verstelbare assen voor precies frezen.
L
Het dunne rondhout dat in beugels op de ra naar buiten kan schuiven.
Zwaar oorlogsschip met twee of drie geschutsdekken, zoals HMS Victory.
Kabel met linkse slag van drie touwen, ook kabelslag; historisch juist voor ankertros, kabelaring, broeking, grote stag en fokkestag.
Alle lijnen die bewegen en belegd worden: vallen, toppenanten, brassen, schoten, geitouwen, gordings; naturel.
M
Het platform op de ondermast waarop het stengewant staat; grote mars, voormars, kruismars.
De ra van het marszeil aan de steng: voormarsera, grootmarsera, kruismarsera.
Verticaal rondhout, in drie delen: ondermast, steng en bramsteng, met op de overgangen mars of zaling en een ezelshoofd. Op het model voorlopig alleen de mastvoeten.
Het vierkant gevijlde bovenstuk van ondermast of steng waar zaling, ezelshoofd en de lussen van het want omheen komen.
Bekleding van geteerd zeildoek over de keggen waar de mast door het dek gaat.
Twee tegengestelde halve steken om een rondhout of hoofdtouw; de knoop voor weeflijnen en voor blokken om rondhout.
Hol messing buisje, hier voor carronadewieltjes en hangmatkranen.
De verdikking op een stag waarachter het oog van de stag zichzelf vastzet om de masttop.
N
Houten lijst met gaten voor korvijnagels, aan de verschansing en rond de mastvoeten.
O
Potlood op oliebasis om de zijkanten van dekplanken zwart te maken.
Het want van de ondermast: acht hoofdtouwen per zijde op de fokkenmast, negen op de grote mast, vijf op de bezaansmast.
Bout met een oog, in dek, mars of ra, waaraan blokken en talies worden gehaakt.
Een gesplitste lus in het uiteinde van een touw; op het echte schip de manier om een oog te maken, op 1:64 alleen haalbaar in dik touw (hier de kabelaring van 1,6 mm).
Touw dat netjes op het dek is opgerold, of als bos aan het belegpunt hangt.
Het lopende eind van een belegde lijn in een nette bos leggen; op het model als trosje over de nagel of rolletje op het dek.
P
Het touw onder de ra waarop de bemanning stond; niet te verwarren met het rolpaard.
Steunlijn van steng of bramsteng schuin naar achteren naar de rust: borstpardoen (vast) en losse pardoen (met talie).
Fijne metalen onderdelen die fotochemisch uit plaat zijn geëtst.
Twee halve steken over elkaar; als afsluiting van een bindsel en voor het eerste lusje van een strop, niet voor weeflijnen.
Kam met verschuifbare pennen om een profiel over te nemen en te vergelijken.
Staafje dwars door het onderwant, ongeveer 50 mm onder de mars, waaraan puttingtouwen en kattesporen zitten; niet spreeworst.
Touw van de juffer op de marsrand schuin omlaag naar de puttingstok in het onderwant.
R
Het touw dat de onderra tegen de mast houdt, met een raktalie naar het dek; niet op de kit-tekeningen.
Het uiteinde van een ra, waar toppenant, bras en het samengestelde blok zitten.
Touw met rechtse slag van drie kardelen, ook wantslag; al het gewone touw en het lopend want.
Verticale rollen op het geschutsdek waarlangs de kabelaring liep.
S
Twee blokken van verschillende maat op elkaar gebonden, aan de ranokken: het grote onder voor de schoot, het kleine boven voor de toppenant.
Sleuf met schijf in een rondhout of de romp; de kit tekent bij de romp kale gaten.
Blok met twee haaks op elkaar staande schijven, aan de stengetop voor de toppenanten; pietsan: sikkelblok.
Plat stalen blad om een dek vlak te schrapen in plaats van schuren.
Oppervlak vlak maken met een schraapstaal; geeft minder stof en vezels dan schuren.
Onderdelen zelf maken in plaats van de kitdelen te gebruiken.
Verzamelnaam voor de vier boten van de Diana: barkas, pinas, twee kotters.
Lijn waarlangs de koperplaatjes schuin worden afgesneden om de banen te laten aansluiten.
Computergestuurde snijmachine (Brother ScanNCut), geschikt voor papier, niet voor hout.
In de kit de gelaserde dwarsschotten op de valse kiel; op het echte schip de spanten.
Alle lijnen die de masten steunen en niet bewegen: hoofdtouwen, stagen, pardoens; zwart.
Het korte rondhout dat onder het ezelshoofd van de boegspriet omlaag hangt en de stampstag spreidt.
Het tweede mastdeel, dat door de mars en het ezelshoofd naast de ondermast staat.
Stag van een stengetop naar voren: voorstengestag, grote stengestag, kruisstengestag.
Het want van de steng, van de stengetop naar de juffers op de marsrand.
Kleiner anker voor rivieren en stromen; de kit levert vier gelijke ankers.
T
Kort zwaar touw met een oog, als eerste lus om de masttop, waaraan een talie kon worden gehaakt; de kit laat de talie weg.
Naturel garen bruin kleuren (thee, eikenbast, walnootbeits) zodat het niet te wit oogt.
Zachte legering van de gegoten kitonderdelen (figuren, rails).
De lijn van de ranok naar de masttop die de ra waterpas houdt; niet noktakel.
Dun touw in de groeven tussen de kardelen leggen, de eerste van de drie lagen; de kit noemt de wikkeling op de stagen worming, maar op het model maak je alleen de buitenste laag.
U
V
De lijn waarmee een ra of gaffel wordt gehesen: marseval, bramval, klauwval, piekeval.
In de kit het centrale triplexdeel waarop de spanten staan; niet de loze kiel van het echte schip.
Steun op het draaibankbed tegen het zwiepen van lange stengen en ra's.
Planken naar de uiteinden toe smaller maken zodat alle gangen passen; ook masten, stengen en ra's naar de uiteinden dunner maken volgens vel 4.
Gang die niet over de volle lengte doorloopt maar bij de boeg in een punt eindigt, zodat twee gangen in één overgaan. Niet hetzelfde als een insteker.
Kop van een stijl die boven de verschansing of het potdek uitsteekt, voor het beleggen van zwaar lopend want; op de Diana onder meer op de bak voor de kluiverboomgeerden.
Legpatroon waarbij de kopse naden om de vier planken terugkeren.
Een van de twee houten wangen bovenop de boegspriet waar de voorstengestagen doorheen lopen.
Eén blok met één wang en twee schijven boven elkaar; de kit levert vioolblokken waar het samengestelde blokken bedoelt.
Het opgelegde stuk aan de voorkant van de ondermast, in de kit het latje van 2 x 3 mm; niet slijtlijst.
W
De twee opgelegde stukken aan weerszijden van de ondermast onder de hommers, met de bibs waarop de mars rust.
Klampje op een hoofdtouw boven de juffer om een lijn op te beleggen.
Stag van de kop van de boegspriet omlaag naar de voorsteven, tegen het omhoogtrekken door de stagen.
Brede plank langs de dekrand waarin de dekplanken worden ingelaten.
Dunne dwarslijn tussen de hoofdtouwen, met een mastworp om elk hoofdtouw, op de Diana om de 13 duim (op 1:64 zo'n 5 tot 6 mm).
Karton met lijnen om de 6 mm achter het want, om de rijen recht te houden.
Zware touwwikkeling die de boegspriet op de voorsteven houdt.
Brede touwwikkeling van zeven slagen om de ondermast, tussen ijzeren banden.
Y
Gele oker, onderlaag voor goud en historische kleur van lijsten.